Taalontwikkeling

Taalontwikkeling

PrentenboekenPlus koppelt jeugdliteratuur aan taalvaardigheid; het concept van PrentenboekenPlus

 

Taalontwikkeling voor kinderen met een receptieve taalstoornis

 

Colette Pelt staat aan de basis van stichting PrentenboekenPlus. Zij heeft een onderwijskundige achtergrond en na haar master jeugdliteratuur aan de universiteit van Tilburg, heeft ze een concept ontwikkeld om prentenboeken in te zetten bij kinderen met een receptieve taalstoornis. Zij richt zich op de semantiek en pragmatiek van de Nederlandse taal. Aan de hand van een specifieke leeswijzer, worden begrippen op het gebied van lichaamstaal, beeldtaal en figuurlijk taalgebruik die in het prentenboek voorkomen, aangereikt.

 

Achtergrondinformatie

 

Semantiek
In de semantiek draait het om de betekenis van woorden en zinnen. Het gaat om een proces van coderen en decoderen.

Kinderen met problemen in de semantische ontwikkeling hebben moeite met het opslaan van de woordvorm en de woordbetekenis van nieuwe woorden en met de verbinding tussen vorm en betekenis (Gray, 2005). De verbindingen tussen verschillende woorden zijn minder sterk dan bij kinderen met een normale taalontwikkeling en de diepe woordbetekenissen zijn beperkter (Dungen, 2008). De kinderen hebben moeite het juiste woord uit hun mentale lexicon op te halen, waardoor het kind het juiste woord op het juiste moment niet kan vinden. Hierdoor ontstaan woordvindingsproblemen en/of een gebrek in benoemingsflexibiliteit en woordvorming (Goorhuis & Schaerlaekens, 2000; Leonard, 1998). Het kind vervangt het bedoelde woord vaak door een woord dat fonologisch(klank) en/of semantisch(vorm) op het doelwoord lijkt (De Jong, 1997).

 

Pragmatiek

In de pragmatiek draait het om het toepassen van taal.Pragmatiek is het vermogen om taalstructuur aan te passen aan de gesprekspartner, de context en de situatie’. (Wegener-Sleeswijk en van den Dungen, 1994). De bedoeling van de spreker speelt een rol naast de betekenis van woorden en zinnen.
Een kind met problemen in de pragmatische ontwikkeling heeft moeite met het gebruik van taal. Het kind weet niet hoe taal toegepast wordt. Het is niet in staat om een verhaal logisch te vertellen en kan hoofd en bijzaken niet van elkaar onderscheiden. Kinderen met problemen in de pragmatiek kunnen hun taalgebruik niet aanpassen aan de situatie of de luisteraar. Vaak geven zij minder relevante informatie en is deze informatie chaotisch of juist te gedetailleerd. De kinderen springen tijdens hun verhaal van de hak op de tak waardoor zij minder of niet goed te volgen zijn. Hierdoor ontstaan vaak problemen in het sociale contact met andere kinderen. Vriendschappen komen niet of nauwelijks tot stand.

 

Taalontwikkeling
Anders dan lezen en rekenen leren we het spreken spelenderwijs.
Niemand kan zich herinneren hoe hij taal leerde en er wordt van ouders ook niet verwacht dat ze het hun kinderen systematisch aanleren. Taal pikt een kind gewoon op.

 

Taal leer je met je lijf
Als kinderen de wereld om zich heen willen leren kennen, zetten ze daar hun hele lijf voor in. Ze pakken een veertje dat ze op de grond zien liggen en voelen eraan met hun vingertoppen. Ze merken dat het veertje nauwelijks iets weegt, en strelen ermee langs hun wang of de binnenkant van hun arm. Ze gooien het omhoog en ontdekken dat het langzaam naar beneden dwarrelt. Nog voor het de grond raakt, proberen ze het weg te blazen. De kennis die kinderen op die manier opdoen, heeft alles te maken met de mogelijkheden die hun lichaam hen biedt tot het opdoen van deze ervaringen. Het woord voor veertje in je hoofd is vaak verbonden met het zachte kriebelige gevoel van dat veertje en de ervaring dat het bijna niets weegt.

Een kind slaat na een opgedane ervaring een woord niet los op in zijn hoofd om het later te kunnen gaan gebruiken. De ervaringen die hij opdoet bij het verkennen van de wereld blijven in zijn hoofd verbonden met de concepten en de woorden. In zekere zin kun je zeggen dat je taal leert met je lijf.

Maar hun lichaam biedt niet alleen mogelijkheden om de wereld te leren kennen, het beperkt ook de mogelijkheden waarop je de wereld kunt leren kennen. Het zou natuurlijk leuk zijn om te voelen hoe het is om omhoog te fladderen net als dat veertje, of om vanuit je achterhoofd naar het veertje te kijken, maar dat lukt nooit, omdat je lichaam daar niet voor gemaakt is. Terwijl het wel lukt om als het veertje weg dwarrelt, erachteraan te lopen om het te vangen. Dat wat we leren kennen en weten, krijgt vorm door de mogelijkheden én de beperkingen van ons lichaam.

De ervaringen die we opdoen met ons lichaam, spelen een grote rol in ons denken en in onze taal. Binnen de wetenschap wordt dat beschreven door de theorieën van de ‘Embodied Cognition’. Deze theorieën benadrukken het belang van sensomotorische ervaringen (interactie van ons lichaam met de omgeving) (Thelen, 2008). Die ervaringen komen eerst. Vervolgens blijven ze de basis voor wat we kennen en weten en wat we willen leren kennen en gaan benoemen. In die ervaring komt ook emotie mee (Kontra, Goldin-Meadow, & Beilock, 2012).

Bij taal- en woordleerprocessen spelen de ervaringen met de wereld om je heen een grote rol. Een woord voor een ding of een actie komt sneller in je hoofd als je ermee gespeeld hebt. Een kind dat met een hamer gespeeld heeft, onthoudt makkelijker het woord voor zowel hamer als timmeren dan een kind dat alleen een plaatje heeft gezien van een timmerman met een hamer. Maar het is ook zo dat als hij de woorden hamer en timmeren eenmaal kent, hij makkelijker met de hamer kan spelen. In de woorden timmeren en hamer is ook de ervaring opgeslagen. Als je een woord zegt of denkt, komt ook de ervaring die je met dat woord hebt gehad weer naar voren. Daardoor is het een leerproces dat beide kanten opgaat (O’Neill, Topolovec, & Stern-Cavalcante, 2002; Smith, Maouene, & Hidaka, 2007).

 
Taalontwikkelingsstoornis
Soms gaat de taalontwikkeling niet vanzelf. Dan verloopt de taalontwikkeling van het kind anders dan bij leeftijdgenoten.

Bij kinderen met een taalstoornis kan een onderscheid worden gemaakt tussen niet-specifieke taalontwikkelingsstoornissen en specifieke taalontwikkelingsstoornissen

Wanneer het kind een specifieke taalstoornis heeft is er sprake van uitsluitend problemen in de taalontwikkeling.

Bij een niet-specifieke taalontwikkelingsstoornis kan de afwijkende taalontwikkeling het gevolg zijn van of in combinatie voorkomen met een ander probleem.

 

Het mag duidelijk zijn, dat aan het lijf gerelateerde problemen mede kunnen zorgen voor een verstoring van de taalontwikkeling.

Zonder volledig te willen zijn hier enkele voorbeelden:

  • Visuele problemen: het kind kan zich geen beeld vormen bij wat het ervaart.
  • Auditieve problemen: het kind kan geen geluid/klanken koppelen aan wat het ervaart.
  • Neurocognitieve ontwikkelingsstoornis: in de hersenen van het kind wordt de taal minder goed verwerkt.
  • Autisme spectrumstoornis: in de hersenen van het kind wordt informatie minder goed verwerkt.
  • Verminderde verstandelijke vermogens.
  • Motorische stoornis: het kind wordt meer beperkt door het lichaam in de interactie met de wereld om hem heen.

 

PrentenboekenPlus
Juist voor deze kinderen wil en kan PrentenboekenPlus een ultieme mogelijkheid bieden om te leren, zowel op gebied van semantiek als pragmatiek.

  • De kinderen komen in aanraking met (nieuwe) woorden en kunnen zo hun woordenschat vergroten en de woordvinding trainen.
  • Zij komen in aanraking met zinnen waarin die woorden worden gebruikt en worden uitgedaagd om zelf zinnen te vormen.
  • Naast het puur coderen en decoderen worden zij uitgedaagd om figuurlijk taalgebruik en humor te begrijpen en te gebruiken.
  • Zij leren stemmingen aan te voelen uit taalgebruik en illustraties.
  • Zij gaan samen in gesprek over het verhaal, leren hun mening vormen en te formuleren.
  • Zij denken na over afloop en wendingen in een verhaal en leren dit te vertellen aan anderen. Zij leren daarbij vragen stellen en luisteren naar anderen, begrijpelijk formuleren.
  • Zij spelen het verhaal of gerelateerde situaties na.

 
Wat PrentenboekenPlus kan bieden?
PrentenboekenPlus wil voor kinderen met een taalontwikkelingsstoornis de brug slaan naar taal, door “leren met je lijf” via zo veel mogelijk ingangen mogelijk te maken:

  • De prentenboeken gaan vergezeld van een voorwerp, dat de hoofdpersoon of het onderwerp waar het boek om draait weer geeft. Het kind kan de hoofdpersoon of een belangrijk voorwerp vastpakken, voelen, ruiken…
  • De prentenboeken hebben voelbare illustraties.
  • De prentenboeken zijn naast de zichtbare tekst voorzien van brailleschrift.
  • De illustraties zijn groot, eenvoudig en contrastrijk. De kinderen zien dus extra duidelijk waar het verhaal over gaat.
  • Er is naast het PrentenboekPlus een origineel prentenboek toegevoegd. Dit kan in de groep worden gebruikt om alle kinderen te betrekken en de communicatie verder uit te breiden.
  • Door prentenboeken ontwikkelt het kind spelenderwijs begrip van beeldtaal, lichaamstaal, figuurlijk taalgebruik.

 

Voor jou als voorlezer zijn er grote voordelen:

  • De prentenboeken zijn voorzien van een handleiding. Als gebruiker wordt je op ideeën gebracht om het boek op een unieke en doeltreffende manier te presenteren.
  • De prentenboeken nodigen uit tot interactief voorlezen. Je kunt met het prentenboek samen met de kinderen een fijne, open en vertrouwde sfeer binnen de groep realiseren.
  • De verhalen spreken álle kinderen aan. Binnen een groep kunnen dus álle kinderen worden betrokken. Je kunt dus de communicatie met de hele groep bevorderen.

 
Prentenboeken voorlezen is interactie

  • Als je een prentenboek samen met een kind (of een groep kinderen) bekijkt en voorleest, is dat een ideaal moment om in gesprek te gaan over het verhaal.
  • Hoe zou het verhaal aflopen?
  • Hoe zou de hoofdpersoon zich voelen?
  • Hoe zou jij je voelen als je dit mee maakte?
  • Maakt dit verhaal je blij? Of juist niet?

De kinderen kunnen zelf ook vragen stellen over het verhaal of over dingen die in het verhaal voor komen.

 
Prentenboeken voorlezen fundament van begrijpend lezen
De kinderen komen door het luisteren het verhaal en de illustraties in aanraking met woorden. Ze kunnen die zien, horen, voelen, bespreken, doen….. en ze later weer gebruiken en begrijpen. Ze vergroten hiermee hun woordenschat, ook met woorden die in het dagelijks leven niet zo vaak voor komen.

Deze zogenaamde laagfrequente woorden komen ook veel voor in lesboeken, leesboeken en informatieve boeken. Het is dan ook van essentieel belang  (jonge) kinderen voor te lezen en het verhaal bespreekbaar te maken als voorbereiding op begrijpend lezen. Prentenboeken lezen vergroot de woordenschat, geeft kennis van genres en begrip van verhaalstructuren.

 

Emotionele en sociale ontwikkeling door voorlezen
Bij het voorlezen van prentenboeken raak je ook aan de emotionele en sociale ontwikkeling van de kinderen.

Je kunt het kind kennis laten maken met de emoties die in het verhaal voor komen. Hoe zou het komen dat de hoofdpersoon zich zo voelt.

Je kunt ook de koppeling maken naar de gevoelens van het kind zelf: Voel jij je ook wel eens zo? Wanneer dan?

Ook kan besproken worden hoe anderen zich dan zouden voelen. Het kind kan ervaren, dat andere kinderen een ander gevoel hebben bij een gebeurtenis of de inhoud van een verhaal.

(in de handleiding bij het verhaal vind je tips voor deze gesprekken).

 

WEB_Gruwelijke_Gorilla met 4 items

De eerste uitgave van PrentenboekenPlus: ‘Gruwelijk Gorilla’ van Tony Ross en Jeanne Willis
1. pluchen gorilla, 2. tactiele uitgave met braille en reliëftekeningen, 3. leeswijzer en 4. het originele prentenboek. Hierbij wordt meegeleverd pluchen moeder- en babymuis.

 

Boekenset PrentenboekenPlus
Een set van PrentenboekenPlus bestaat uit:

  • een eigentijds prentenboek
  • en een tactiele uitgave met voelbare tekeningen in kleur, de tekst van het verhaal staat in braille en een groot lettertype.
  • een speciale leeswijzer met handelingstips voor de professionele begeleider van het kind
  • een 3D voorwerp dat centraal staat in het verhaal

 

Voorlezen van PrentenboekenPlus in al zijn facetten in een notendop

  • Tijdens de introductie laat je de kinderen kennis maken met de hoofdpersoon uit het boek. De kinderen kunnen 3D voorwerpen zien, voelen, ruiken, horen…..

De voorwerpen zijn gerelateerd aan het boek en zorgen ervoor dat de jonge lezer wordt geholpen om een verband te leggen tussen de illustratie en dat wat het voorstelt.

  • Eerste aanbieding
    Vertel het verhaal in eigen woorden. Betrek kinderen bij het verhaal door het boek te laten voelen en bespreek de afbeeldingen.
  • Tweede aanbieding
    Lees de tekst voor, onderbreek het verhaal niet door nu al vragen te stellen.
  • Derde aanbieding
    Laat de kinderen het meeste aan het woord; laat hen het verhaal vertellen/ naspelen.

Bij ieder verhaal is een specifieke leeswijzer beschikbaar waarin per bladzijde enkele leestips worden gegeven. De tips gaan over tekst en illustratie en bespreken lichaamstaal, figuurlijk taalgebruik en beeldtaal. Aan de hand van deze tips kan de voorlezer het verhaal uitdiepen en verkennen met het kind.
Van iedere spread (twee tegenover elkaar liggende bladzijden) is een stukje van de afbeelding gekozen voor de tactiele uitgave en door middel van een reliëfdruktechniek voelbaar gemaakt. Hierbij staan ook enkele woorden afgedrukt. De tactiele tekeningen zijn niet bedoeld als een tactiele oefening maar ondersteunen het gesprek over het verhaal.

 

Een voorbeeld van een ideale situatie
In het speciaal onderwijs heeft zowel de logopediste als de leerkracht de serie prentenboekensets. De logopediste geeft pre-teaching en de leerkracht gebruikt daarna het prentenboek in de klas. De leerling met achterstand, heeft nu een voorsprong!

 

 

LICHAAMSTAAL Waarom staat Mol met zijn handen in zijn zij? Sven heeft zojuist de afbeelding gevoeld en doet dit na.